'De stuifzanden groeien weer' 
zondag 28 maart 2010
Uitgebreide beschrijving van het boek waar in Nieuwe Veluwe 2010/1 melding van gemaakt is.
In de laatste decennia groeit de belangstelling voor de stuifzanden van de Veluwe en ook elders in de zandgebieden van ons land. Het ‘stuivend’ gedeelte van het Kootwijkerzand en Wekeromse zand is of wordt weer vergroot, in het Nationale park De Hoge Veluwe is in het begin van deze eeuw een stuifzandgebied ‘De Pollen’, in feite de rand van het oude Reemster zand, ‘gereanimeerd’. Ook het Hulshorsterzand past in dit rijtje.
Alle grote beheerders van natuurgebieden hebben nu weer hun eigen woestijn. Dat past in het beleid om dit bijzondere landschapstype, dat vrijwel alleen in ons land voorkomt, te behouden. Dus zijn en worden er op de Veluwe vele hectaren ontdaan van de humeuze zode om het onderliggende dekzand (weer) bloot te leggen teneinde een groter stuivend gebied te krijgen. Verder worden aangrenzende bossen gekapt om een langere ‘strijklengte’ voor de wind te verkrijgen. Want het moet flink stuiven!
Anderhalve eeuw geleden bevond zich op de Veluwe veel minder bos: maar circa 15 procent van de huidige hoeveelheid. Dus werd de wind minder afgeremd. Dit ging vierkant in tegen de ‘heilzame bedoelingen’ van Koningin Willem I, die in 1820 zorgde voor de eerste 5000 gulden op de begroting van de provincie Gelderland voor stuifzandbestrijding. Hoewel er voor die tijd wel aan stuifzandbestrijding werd gedaan, evenwel met weinig of geen resultaat, vormde na de Franse tijd dit bedrag uit de rijkskas de start voor nieuwe bestrijdingsmaatregelen van de provincie Gelderland.
Er werden verordeningen gemaakt, waarbij de verantwoordelijkheid voor de maatregelen voor de ‘stuiting van de zanden’ bij de eigenaren van de zanden werd gelegd. Op de Veluwe vielen de zanden veelal onder het gemeenschappelijke bezit van de marken, hier meestal buurten genoemd. B&W van de betrokken gemeenten moesten jaarlijks de zanden controleren op uitbreidingen en hun bevindingen rapporteren aan de provincie. Voor de maatregelen om de zanden in te dammen (aanleg windkerende singels met grove den, takkenschermen, bedekking met plaggen en takken e.d.) was aanvankelijk subsidie van de provincie mogelijk. Ook betaalde de provincie de kosten en plaatsing van de zogenaamde, genummerde zandpalen, die langs de randen van de stuifzanden werden geplaatst om uitbreidingen te kunnen vaststellen. Nalatigheid kon fors worden bestraft, want de verordeningen behelsden straffen tot maximaal 75 gulden en 7 dagen hechtenis, onder andere afhankelijk van de grootte van de uitbreiding.
In 1867 gingen twee buurtmeesters, verantwoordelijk voor het Harskamperzand, zeven dagen de gevangenis in omdat de geldboete (een dagloner verdiende 3 gulden per week) een te zware last voor de buurtkas werd geacht.
Het provinciale beleid heeft zeker bijgedragen aan het tot rust brengen van de meeste zanden op de Veluwe. Met de effecten van dit beleid hebben we nog te maken. Zo zijn de windkerende dennensingels, die rond de zanden in de hei moesten worden aangelegd, vaak de oorzaak voor het ontstaan van de spontane grove dennenbossen, doordat de zaden zich massaal uitzaaiden over de heiden. Het Ottelose Buurtbos is grotendeels op deze wijze ontstaan en pas in 1945 wordt deze naam voor het eerst gebruikt. Ook maakt men nog ‘reclame’ met de oude maten van de zanden: ‘Loonse en Drunense duinen, de grootste zandbak van Noordwest-Europa, 1400 hectare!’ Overigens bedroeg het Otterlose zand in het jaar 1870 in totaal 1617 hectare, maar werd het vervolgens kleiner doordat het Pampelse zand door een veranderde eigendomssituatie werd afgesplitst.
Martin J. Hijink De geschiedenis van de stuifzandbestrijding op de Veluwe na 1820 is beschreven in een Historisch Bericht Ede ‘De heilzame bedoelingen van Koning Willen I’, ISBN 978-90-79623-05-1), kostprijs 5,50 euro, 62 p.
 
Nog geen reacties