Een miljoen burgerboeren en altijd lekker eten 
zondag 28 maart 2010
Hieronder het essay waar Wouter Klootwijk aan refereert in zijn column in Nieuwe Veluwe 2010/1
door Wouter Klootwijk
‘Geef de varkens terug aan de stad.’ Dat hadden ze op het spandoek moeten zetten. Maar Nederlandse dierenvrienden zijn niet vindingrijk en grappig van huis uit. Ze hebben geen fantasie, denken dat de wereld voorbij Oss ophoudt en ze kunnen nog geen kippenhok timmeren. Ze zijn alleen maar boos. En willen niks. Althans niet ten noorden van Oss, daar moeten de mensen de beesten aaien van de actiegroep en verder van ze afblijven. Vlak voor sinterklaas 2006 was op de Dam in Amsterdam een bouwseltje neergezet. Uit protest tegen het idee alleen al, van een varkenshouderij in verdiepingen. De varkensflat.
Op de nok van het gebouwtje op de Dam,waarin actievoerders zich in kooien hadden opgesloten, hing een spandoek. ‘Stop Fout Vlees’. Typisch de dierenvriendenbeweging. Geen kant wil men op, alleen stoppen. Met wat precies blijft ongewis. Fout vlees? Wijs me dan meteen het goede, maak me liever gelukkig dan bang dat ik het verkeerd doe. Ja ik weet het wel, de weg die jullie opwillen. De enige weg is die naar pompoensoep in een potje. Maar zeg dat dan en maak me tenminste aan het lachen, vegetarische chagrijnen.
Provo
Men praat en schrijft over kwaliteit van voeding en rafelt het begrip kwaliteit uiteen. Hoog in Brussel, hoog in Den Haag, maar ook op straat en in de supermarkt. De mens moet gezond eten, het dier moet geluk hebben en de aarde mag er niet aan kapot gaan als we het er eens van nemen.
Mooi gezegd, goed geschreven. Maar de burger heeft geen kijk (meer) op de productie en kan geen benul meer ontwikkelen over wat kwaliteit eigenlijk is.
Er is een vaag vermoeden dat er varkens bestaan die het niet naar hun zin hebben, het fijne weten we er niet van, maar we hebben er in de stad wel een mening over.
Ik heb heimwee naar provo. Alleen al dat gevoel van toen, de roes die wel tien jaar duurde, dat we op het punt stonden de wereld in een paradijs te veranderen. Dat dacht ik echt, ik dacht dat dat kon. Het kwam er niet van maar dat het niet kan maak je mij nog lang niet wijs. Ik was hartstochtelijk en overtuigd provo, maar gelijkertijd jonge brave huisvader met net op tijd een baan om yoghurt voor mijn kind te kunnen kopen. Meedoen met het vrolijke klieren, ‘s avonds in de zwoele Amsterdamse binnenstad - gek, het was altijd zwoel toen - kon meestal niet; geen oppas. Maar waar het kon, klierde ik mee. Ook op de redactie van het socialistische dagblad Het Vrije Volk, waar ik werkte en waar nog oude verzetshelden rond chagrijnden. Die wilden niks meer, die hadden hun verzet gehad en konden het mijne niet vatten. Het ongeorganiseerde tegenspartelen van Provo. Verschil met de stop fout vleesbeweging? Toen wilden we wat. Het moest leuker, mooier, vrijer en niet de overheid bedacht toen het geniale plan tegen fietsendiefstal, dat werd op straat verzonnen. Het witte fietsenplan. Dat er later meewarig over werd gedaan maakt het plan er niet minder doortastend om. Zouden in die tijd varkensflats ontworpen zijn en zouden de plannen niet in goede aarde zijn gevallen bij de mensen in de stad (die de dienst uitmaken in de krant en de opinie-industrie), dan had provo niet geroepen dat het stoppen moet, maar was op een zwoele avond op straat een geweldig alternatief bedacht. De varkens terug de stad in. De verbeelding spreekt.
Biobak
Ooit waren ze er. Ze liepen vrij rond en scharrelden hun kostje bij elkaar. ‘s Avonds gingen de varkens naar huis en tegen de winter werden ze geslacht, op de binnenplaats. In steden in Nederland en België werd het op een deel van de burgerij te gortig. Open riolen waren er en men kan mensen het kakken niet verbieden. Wel de varkens. Er kwamen verordeningen. De varkens werden verbannen, niet overal tegelijk, er zat wel honderd jaar tussen de verschillende varkensverordeningen in de steden, van Groningen tot Mechelen. Maar overal waar de varkens de stad uit werden gestuurd was het voorgoed.
Heel veel later kwam de biobak. En hoe die stinken kon, op warme zomerdagen, dat was soms even zomernieuws in krant en blad. Maar aan de varkens werd niet meer gedacht. En geen dier- of andere vriend protesteert tegen het dure verwijderen uit de stad van het beste, meest gevarieerde varkensvoer naar de vuilverbranding.
Het besef is er al helemaal niet meer, dat varkens er tot de jaren vijftig van de vorige eeuw waren omdat er afval was. Waarom heeft Parma zijn ham? Omdat de kaasmakers om kwamen in eiwitrijk afval en er varkens bij gingen houden. Afval kwijt en spek er voor terug. Geniaal en nog altijd werkt het. Al weet haast geen mens dat nog: varkens eten wat de mensen morsen.
Maar zou ik ze terug willen, schijterts op de tramrails? Welnee, niet zo. Dit is geen onbespoten pleidooi voor de weg terug naar de gezellige Middeleeuwen. Absoluut niet. Ik koop nog liever aandelen in een hypermoderne varkensflat in de haven. We kunnen beter voedsel maken daar aan de overkant van Vlaardingen, dan benzine. Het gaat me om iets heel anders. We moeten nog (weer!) zelf met eigen ogen van de beesten kunnen houden. En van hoogstamsperziebonen.
Ik liep door Brussel, door een grote wijk waar zichtbaar niet de rijkste Belgen elkaars buren zijn. Veel mensen van elders, vaak Afrika. Tussen de aaneengesloten gevels in een lange straat was een opening. Er had een huis gestaan, het was er niet meer en op de fundamenten was wat aarde gestort. En daarop, wat een verrassing, lange staken schuin tegen elkaar, waar bonenplanten tegenop geklommen waren. Prachtig. Hoezo eigenlijk? Nou zomaar een boon in de stad, zo laconiek, en zo alledaags ook. Het stemde vrolijk. En wat is een bonenplant toch heel veel interessanter dat een paarse narcis.
Deeltijdteelt
Een stad zou moderne keuterboeren (m/v) moeten hebben, deeltijdboeren die de andere helft van de dag deeltijdvuilnisman zijn of postbode of kraamhulp. Waarom staan er in de stad geen appelbomen meer en regent het geen walnoten meer in de parken? En waarom is er wel een ribfluwelen plantsoenendienst die van elk stukje gemeenschappelijk groen een kerkhof schoffelt met bloemen die je niet kunt eten?
Hij is nu weg. Maar er heeft nog aan het begin van deze eeuw een appelboom gestaan voor het bureau van de Waterpolitie aan het IJ in Amsterdam. Aan de openbare weg. Mooie rode appels. In de herfst vielen ze naar beneden. Op de tegels. Niemand maalde er om en Stadsreiniging zal ze op een dag wel hebben verwijderd met een veegvoertuig, maar niet voor de varkens.
Het verbod op het voeren van eten van de gasten die in restaurants hun bord niet leeg aten, moet opgeheven worden of in elk geval verfijnd. Het is nu een misdaad. Ook de kok die zijn keukenafval aan mij mee geeft is een crimineel volgens de letter van de wet. Het moet omslachtig als het al mag, dan haalt een gecertificeerd mengvoederbedrijf de restanten op voor ververwerking tot grauwe korrels maar liever nog laten de autoriteiten, schijtensbenauwd voor ziekte in de bio-industrie, de kliek en het oude brood schoon op branden in de afvaloven. Ook opgeveegde appels.
De varkens moeten om te beginnen terug onder de mensen om weer zichtbaar te maken hoe het in elkaar zit. Een beest dat afval eet en ons twee keer van dienst is. Als hulp in de huishouding en als spek.
Het moet niet van boven opgelegd, alsjeblieft niet, maar als vanzelfsprekend gaan. Niet op een kinderboerderij maar achter de slagerswinkel. Geen pretparkveehouderij maar echte, in het zicht van de mensen. En wat je weten moet: twee varkens stinken niet. Alleen met honderd op te klein terrein, dan stinken ze, en met duizend in een loods.
Twee plofkippen
En kippen. Nog een keer lachen op het ministerie? Ik heb de minister (Veerman, toen) al een keer aan ‘t superieure grijnzen gebracht. Iedereen een kip, zei ik! Het was in alle simpelheid een geweldig plan van een gemeenteambtenaar in Belgie die nuchter kon rekenen. Het ophalen van huisvuil kan goedkoper als het eetbare deel door kippen worden opgegeten. De gemeente Stekene bijvoorbeeld, deelde kippen uit aan inwoners met een tuin. Drie per huishouden.
Er is veel om gelachen. In Belgie, maar ook op het ministerie van landbouw in Den Haag. Daar zijn wij tegen he, zei de minister tegen de ambtenaar die het dichts bij hem zat en aantekeningen maakte. De ambtenaar knikte. Tegen! Het was een bijeenkomst waarbij de minister en zijn ambtenaren wel eens wilden horen wat er zoal leeft in de maatschappij aan ideeën over voedselkwaliteit en welke weg we verlangen dat het opgaat met de landbouw. Vrij praten aan een grote tafel, vertegenwoordigers van milieu, een ethicus uit Wageningen die voor meer keurmerken pleitte, slow food, de vruchtensapindustrie die wil dat vruchtensap officieel gezond verklaard wordt, en ik namens alle consumenten. De minister aan het hoofd en allemaal een wattenbolletje met kroket; het is etenstijd, de regering trakteert. Kippen, zei ik. De kippen moeten terug onder de mensen. Het werd niks. Niemand zag er wat in. En de minister deed het af. Iedereen een kip op zijn balkon, dat is precies wat wij niet willen, zei hij. Om de ziekte. Zoals de hele agrarische bedrijfstak is Den Haag als de dood voor de ziekte. Maar de wijze waarop landbouwhuisdieren nu worden gehouden en uniformiteit maakt een ziekte juist zo gevaarlijk. Er is in Nederland maar 1 type varken. En er zijn maar 2 plofkippen, de Ross en de Cobb.
Levensgevaarlijk.
Vierkante vis
Nederlandse consumenten – niet allemaal, maar je hebt er - denken dat een kikker een korte broek aan heeft en verliefd kan worden op een andere diersoort. En ze denken dat een vis vierkant is met een huid van paneermeel. Ook aanstaande chefs. Jonge mannen en vrouwen die kok willen worden hebben een enorme achterstand in kennis en vaardigheden, vergeleken bij leerlingen van vier generaties terug. Let op: ze willen kok worden, geen meubelmaker of accountant. Dus zou je denken dat ze affiniteit hebben met de grondstoffen waar ze de rest van hun leven in moeten knijpen. Maar zelfs als ze al een jaar in opleiding zijn, leg een schelvis voor ze op het aanrecht met het verzoek er wat van te maken. Ze schrikken van de kop, ze weten de naam niet van de vis en al helemaal niet hoe het beest moet worden aangepakt. Van een vis weten ze alleen dat je hem teruggooit in de gracht als je er een aan de haak hebt. Behalve de soort de kibbeling heet.
En sperziebonen dan? Dat die knakken als ze vers zijn en dat het een typische zomergroente is? Geen idee. Dat kan ook niet als je lusteloze sperziebonen gewend bent, het hele jaar door uit Senegal. De sperzieboon moet terug in de stad!
Een reusachtig park
Nederland is een enorme stad met prachtige parken. Of een reusachtig park met bebouwde kommen. Nee, bekijk het wat minder benauwd. Het houdt niet op bij de Nederlandse grens, maar gaat door tot aan Charleroi, Lille, Keulen en Hamburg. Een groot deel van het parklandschap is nu nog in gebruik als landbouwgrond waarop een afnemend aantal boeren zo grootschalig en intensief mogelijk probeert te werken, concurrerend op de wereldmarkt en gedoemd de strijd te verliezen. Welke strijd? Die op de wereldmarkt, met bulk. Uien, kippen, suiker, allemaal bulkgoederen waar geen cent aan te verdienen is, behalve als in Rusland de oogst mislukt en de pest uitbreekt.
Dat moet anders, zou je zeggen, maar dat hoef je niet te zeggen, dat gaat vanzelf. Het enige waar we oog voor moeten hebben is dat geweldige park waar we samen in wonen en wat bij gebrek aan klassieke agrariërs wordt verkaveld tot woongebieden en recreatieterreinen. Veel beter kun je er een gezamenlijke gigantische kruidentuin van aanleggen. Beter kan het park bewoond worden door duizend nieuwe exploitanten van de grond. Kleinere voltijd boeren die uitsluitend specialiteiten produceren en producten van de hoogste kwaliteit waar ze goed betaald voor worden door de smulpapen om ze heen. En nog kleinere halftijd boeren – meestal wat oudere burgers en daar hebben we er zat van met meer dan genoeg tijd voor pret – die het niet te doen is om een vol inkomen uit land, maar om zoiets als wat in de stad ‘creativiteit’ genoemd wordt. En die zich in de stad vaak uit in kantklossen met dikke wol. Volkstuinen ontstonden in het verleden rond de stad en moesten de arbeiderburgers lucht geven. Dat zou opnieuw kunnen maar op een heel andere wijze, op grotere schaal. En een tuin, daar ga je niet naar toe, daar woon je in.
De grote boer heeft al bijna afgedaan. Hij kan ook beter plaats maken voor honderd burgerboeren. Het moet planologische en economisch ook niet zo nationaal benepen bekeken worden. In Europa (om over de hele wereld maar te zwijgen) liggen grote arealen lelijke grond in stomvervelend landschap – ik weet ook zulk gebied in Belgie - waar grote boeren de boel alleen maar kunnen opvrolijken. Verhuizen. Daar kan het grootschalig. In ons park tussen Charleroi en Hamburg moet het verfijnd voortaan en leggen de voltijd agrariers zich toe op (de voortdurende verbetering van) door de rest van de wereld meest begeerde exportproducten. Pootgoed, zaden en alle mogelijke beesten met ingekruiste waardevolle eigenschappen, ook heel gezonde beesten die niet zo gauw een koutje pakken. En die voltijders laten zich graag bijstaan door ouden van dagen die graag mee experimenteren, maar op eigen erf. Het gonst in het park tussen Rotterdam en Dusseldorf van activiteit. Bukkende mannen en vrouwen, vingers in de grond. Er broeit wat, voortdurend. En wat de miljoen burgerboeren allemaal met elkaar uitwisselen aan ervaring en kennis op het internet gaat de fantasie van Wageningen te boven. De wereld staat versteld van wat er aan zoveel nieuw voedsel wordt ontwikkeld in dit enorme laboratorium van burgerboeren, die, als ze een vrije dag hebben, gaan fietsen door een zee van geel. Er zijn er een paar bezig het koolzaad opnieuw uit te vinden. Het staat in bloei, kom kijken!
Geld speelt geen rol
Ik schreef een stuk in de krant, woedend, over de inferieure kwaliteit van sperziebonen in de supermarkt, in de zomer, als ze op z’n best zouden moeten zijn en van dichtbij. Maar het waren alleen Afrikaanse ellendelingen die je kon kopen. Voor sperziebonen moet je tegenwoordig een eind fietsen, schreef ik, door dorpen in de polders, tot je ze tegenkomt. Sperziebonen in een kist langs de weg met een bord er bij waarop de prijs staat en een geldkistje. Die bonen, die bedoelen we! Ik schreef het en een paar dagen later lag bij mijn voordeur een zak sperziebonen. Geen briefje er bij, geen naam er op, tot nu toe niet te weten kunnen komen wie ze me bracht. Maar het waren onmiskenbaar de allergeweldigste sperziebonen die ik ooit gegeten heb. De teler – ik vermoed, vraag me niet waarom, een vrouw met een tuin – heeft zich er op toe gelegd de beste ter wereld te telen. Zo moet het duizend wat jongere en wat oudere vrouwen overal in het enorme park makkelijk gemaakt worden om zich op het beste toe te leggen wat de grond kan opbrengen. Bietjes en bonen maar ook aardappelen zoals je niet wist dat ze konden bestaan zo smakelijk. Het gaat hier over het paradijs. De motormaaiers van de goudkust zwijgen als de miljonairs de lol gaan inzien van wat kippen rond hun huis en ontdekken dat kippen ook graag grasjes eten. De miljonairs de voortaan iedereen in de Lindelaan van de beste eitjes voorzien in ruil voor keukenafval.
De overheid? Niet mee bemoeien. Alleen niet zoveel verhinderen. Ik kan sterke verhalen vertellen over wat de overheid allemaal verhindert in de veronderstelling dat de burgerboer er toch maar een zootje van maakt. Zelfs de maten van een kippenhok zijn in gemeenteverordeningen vastgelegd. En of iets grasland is officieel en dus geen fruitgaard mag worden. Ik heb een berkje geplant in een rietlandje. Het groeide als piepjong boompje op, hoog in een slecht onderhouden dakgoot. Ik heb het terug op aarde gezet. Mag niet. Dat is een rietlandje, zegt Staatsbosbeheer, die berk moet in principe om. Het zou allemaal wat makkelijker moeten. Met soepele bestemmingsplannen en lenige verkaveling - terug naar kleinere akkers waar dat de mensen goed uitkomt. Geen subsidie maar in elke middelgrote plaats een loods met een kantoortje waar gratis alle mogelijke voorlichting wordt verstrek op land- en tuinbouwgebied en landbouwhuisdieren en waar voor bijna niets fruitboompjes van alle mogelijke rassen, pootgoed en zaden worden verstrekt. Ook is er in elke middelgrote plaats een prettige overdekte hal waar iedereen zijn koopwaar uit de tuin, de stal en van de akker aan kan bieden. De gemeente onderhoudt de toiletgroep.
Dat alles zal de burger leren kwaliteit te onderscheiden en herwaarderen. En pas dan weten we weer waar we het over hebben en mag het beste spul van de boer meer geld kosten. Omdat we weten waarvoor we betalen. Voor geluk.
Twee beesten met geluk
We kochten twee varkens. Het was voor een tv-programma en we hielden de beesten in het dorp waar ik woon. We wisten precies wat we wilden. Antwoorden zoeken en vinden op alle vragen die een burger zich stelt in een mogelijke vlaag van bezinning. Waar zijn de varkens gebleven die ik me vaag van vroeger herinner? En vooral praktische vragen. Hoe kom je aan een varken. En hoe moet dat, varkens houden? En wat mag er allemaal niet? Er mag niks, zal een burger ontdekken die varkens wil om zijn huis.
Meest indringende vraag, maar die komt later pas, misschien te laat; hoe moet het als je genoeg hebt van de beesten ofwel dat ze dik genoeg zijn om op te eten? Vervreemd zijn we er van en niet zo’n beetje. Zelfs als je het iemand vraagt die werkt en voorlicht bij een overkoepelende boerenorganisatie - hoe komen we aan twee varkens? - dan raakt hij in de war. Om, eenmaal weer wat bij zinnen aan te telefoon uit de doeken te doen dat je een veehouder moet vinden die ‘op papier’ een paar biggen dood laat gaan. Die neem je dan levend mee, het zijn illegale varkens geworden, verdwenen uit de papieren. Maar, en dat zei hij er niet bij, waar later geen slachthuis zich aan waagt, dus moet je ze zelf maar slachten.
We kochten na lang zoeken en veel telefoons twee legale biggen. Midden in het dorp, op een omheind erf zetten we ze te logeren. We bouwden een kot waarin ze slapen konden in een bed van stro dat ze zelf opmaakten. Je schuift er een baal in en het wordt een bed.
Doodgewoon eigenlijk, twee varkens. Maar het dorp! Wat de mensen gebeurde, wat ze overkwam. Ze vonden het niet zomaar prachtig, het leek of er iets van ze af viel. Eindelijk thuis. Eindelijk alles op zijn plek, het leven kan beginnen, zo hoort het.
Het was een boerendorp, maar er zijn nog maar twee melkveehouder nu en het land is van het wereldvreemde Staatsbosbeheer dat vanuit een kantoor ver weg de grutto’s bescherming biedt en af en toe een gans laat schieten.
De helft van de bewoners van het dorp komt uit de grote stad, geen kak en ook niet stuitend rijk, de nieuwe bewoners. Aangenaam niks bijzonders. Er zijn veel kinderen. De komst van de varkens was een feest. Het werd niet uitbundig gevierd met lawaai en met z’n allen. Maar iedereen ging op eigen houtje en zonder onderling overleg elke dag even bij de beesten langs. De wandelwagens met kleine kinderen werden tegen het gaas gezet. De varkens leken te begrijpen dat je zo’n klein handje aan het kindje vast moeten laten zitten. Maar je klompen beten ze stuk als je niet uitkeek. Jongetjes die nooit kastanjes wilden delen brachten er elke dag wat van naar de varkens. En geen huishouden deed nog keukenafval bij het vuilnis. De varkens kregen alles. Ook het eethuis was het dol mee. De resten uit de keuken gingen elke ochtend naar de beesten en voor de uitbater was dat een buitenkansje. Hij was er veel eerder van af, het stond doorgaans dagen te stinken in een container voor die kon worden opgehaald. Bovendien deed het altijd weer pijn, de resten van een koud buffet mee te moeten geven met de vuilnisman.
Iedereen wilde ze verzorgen, mocht de baas, ik, een paar dagen van huis zijn. Zo ontdekte een gepensioneerde boer dat zijn kleinzoon met vrienden in het stro bij de varkens lag te klieren.
De varkens lieten het zich welgevallen en veranderden in luttele dagen van schuwe zenuwlijders in vrolijke dorpsbewoners. En je zag ze veranderen van levendige biggen in luie varkens die alleen nog voor een maaltje in beweging kwamen.
De dag voordat ze zouden worden opgehaald vierde een van de dorpsbewoners, een gemeenteambtenaar, zijn verjaardag. De volgende ochtend vroeg liep hij in zijn eentje door het dorp. Met een schoteltje met twee taartjes. Voor de beesten. Ze stapten zonder morren de aanhangwagen in sliepen in het stro, de hele weg tot aan de slager. Die was stomverbaasd. Zulke rustige beesten had hij nooit eerder meegemaakt. Het dorp wil nu nieuwe varkens. Er wordt over vergaderd. Hoe moet dat, varkens, en van wie zijn ze dan?
 
Nog geen reacties